1998 Voor de Hollandse IJsseldichters

Het huis van mijn jeugd
Is alleen maar een gat
In de dijk,
En een berg doelloos puin.
Toch ruik ik nog de rozen
En ik proef nog de pruimen
Ik zie nog alle bloemen
In de tuin.
Ik loop weer op de palen
En ik zie er mijn vader
De vlotters, de roeiboot,
Het riet.
Moeder met de geit langs de dijk
En de kippen.
Ik ben jong en de zon schijnt.
Ik geniet!

Nu ben ik vijfenzestig.
Alles is verdwenen.
Maar het water is altijd nog hier.
Het glanst in de zon
En het stroomt langs mijn handen.
Mijn IJssel. Mijn vriend. Mijn rivier!


<<< TERUG